Dutch is the national language of The Netherlands. There are 20 million native
speakers of Dutch language that is spoken in The Netherlands, Belgium and Surinam.
It's a Germanic language.
Conjugate a Dutch verb
Some of the Dutch characters don't exist in the English alphabet. If you can't input them here - try the following:
See also:
Recently Conjugated Dutch verbs
overdrijven,
irrigeren,
uitkiezen,
aanmerken,
loerogen,
choqueren,
relateren,
verwisselen,
fluctueren,
versluieren,
preserveren,
druilen,
raisonneren,
ciseleren,
fosforesceren,
naturaliseren,
ontslaan,
bijspijkeren,
metanalyseren,
vieren,
overschatten,
veralgemeniseren,
passen,
multipliceren,
vaceren,
kruiven,
mitiniseren,
arriveren,
feilen,
ruiken,
herkapitaliseren,
capitonneren,
zwengelen,
afstraffen,
wrijven,
bemoeien,
constateren,
verwerven,
valuteren,
contrasteren,
concurreren,
opstaan,
veroordelen,
laxeren,
tijgen,
corrumperen,
afknabbelen,
tabellariseren,
accommoderen,
aanstoten,