bespiegelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bespiegelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bespiegelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bespiegelend
Past participle - Verleden deelwoord: bespiegeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespiegel
jijbespiegelt
hijbespiegelt
wijbespiegelen
julliebespiegelen
zijbespiegelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bespiegeld
jijhebt bespiegeld
hijheeft bespiegeld
wijhebben bespiegeld
julliehebben bespiegeld
zijhebben bespiegeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespiegelde
jijbespiegelde
hijbespiegelde
wijbespiegelden
julliebespiegelden
zijbespiegelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bespiegeld
jijhad bespiegeld
hijhad bespiegeld
wijhadden bespiegeld
julliehadden bespiegeld
zijhadden bespiegeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bespiegelen
jijzult bespiegelen
hijzal bespiegelen
wijzullen bespiegelen
julliezullen bespiegelen
zijzullen bespiegelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bespiegeld hebben
jijzult bespiegeld hebben
hijzal bespiegeld hebben
wijzullen bespiegeld hebben
julliezullen bespiegeld hebben
zijzullen bespiegeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bespiegelen
jijzou bespiegelen
hijzou bespiegelen
wijzouden bespiegelen
julliezouden bespiegelen
zijzouden bespiegelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bespiegeld hebben
jijzou bespiegeld hebben
hijzou bespiegeld hebben
wijzouden bespiegeld hebben
julliezouden bespiegeld hebben
zijzouden bespiegeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespiegel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From be- + spiegelen.

Additional Information