zijn – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zijn

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zijn; wezen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: zijnd
Past participle - Verleden deelwoord: geweest

Cognates

See the 5 cognates of zijn

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikben
jijbent
hijis
wijzijn
julliezijn
zijzijn

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben geweest
jijbent geweest
hijis geweest
wijzijn geweest
julliezijn geweest
zijzijn geweest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwas
jijwas
hijwas
wijwaren
julliewaren
zijwaren

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas geweest
jijwas geweest
hijwas geweest
wijwaren geweest
julliewaren geweest
zijwaren geweest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zijn; wezen
jijzult zijn; wezen
hijzal zijn; wezen
wijzullen zijn; wezen
julliezullen zijn; wezen
zijzullen zijn; wezen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geweest zijn
jijzult geweest zijn
hijzal geweest zijn
wijzullen geweest zijn
julliezullen geweest zijn
zijzullen geweest zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zijn; wezen
jijzou zijn; wezen
hijzou zijn; wezen
wijzouden zijn; wezen
julliezouden zijn; wezen
zijzouden zijn; wezen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geweest zijn
jijzou geweest zijn
hijzou geweest zijn
wijzouden geweest zijn
julliezouden geweest zijn
zijzouden geweest zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijwees

Verbs conjugated like 'zijn'

wezen, zijn,

Verbs similar to 'zijn'

zien, zijgen, aaien, afzien, bezien, bijten, doen, eisen, eren, eten,

Translations

  • absent, to withhold from being present
  • conflict, be at odds (with)
  • have, auxiliary used in forming the perfect and the past perfect tenses
  • kowtow, act submissively
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    bestaan
    existeren
    gebeuren
    voorvallen
    bedragen
    kosten

    Sample Sentences

    • Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe Daniel Defoe Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den [...] (Robinson Crusoe)
    • Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe Daniel Defoe Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, waar hij [...] (Robinson Crusoe)
    • Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe Daniel Defoe Ik ben geboren in de stad York, in 1632, van eene deftige familie, die daar echter niet inheemsch was. Mijn vader was van Bremen afkomstig en had zich eerst te Hull gevestigd. Na in den koophandel eene tamelijke fortuin verworven te hebben, liet hij dien varen en ging te York wonen, waar hij met mijne moeder [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik had twee broeders, die ouder waren dan ik; de oudste diende als luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer vernomen wat er van mijn [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] als luitenant-kolonel bij een regement voetvolk in Vlaanderen, toen hij in den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne ouders nimmer wisten waar ik gebleven was. (Robinson Crusoe)
    • [...] toen hij in den slag tegen de Spanjaarden bij Duinkerken sneuvelde. Ik heb nimmer vernomen wat er van mijn tweeden broeder geworden is, even als mijne ouders nimmer wisten waar ik gebleven was. (Robinson Crusoe)
    • Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te laten gaan. Hij had mij tot een [...] (Robinson Crusoe)
    • Ik was de derde zoon en tot geenerlei bedrijf opgeleid, terwijl mijn hoofd reeds vroeg met allerlei luchtkasteelen opgevuld was. Mijn vader, die reeds hoog bejaard was, had mij zooveel onderrigt verschaft als hij kon, zoowel door zijne lessen te huis als door mij op eene school te laten gaan. Hij had mij tot een regtsgeleerde bestemd, maar ik dacht alleen aan ter [...] (Robinson Crusoe)
    • [...] ruim bestaan kunt erlangen. Alleen menschen, die niets te verliezen hebben of die groote rijkdommen bezitten, mogen zich door gevaarlijke middelen rijkdom of beroemdheid verwerven; zulke middelen zijn ver boven u of ver beneden u. " Hij voegde er bij, dat ik tot den middelstand behoorde, dat is tot dien, welke den hoogsten trap onder de mindere klassen beslaat; een staat, die de ervaring [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    1. From Middle Dutch sijn, from Old Dutch sīn. The infinitive zijn along with the words is and zij (present indicative and subjunctive) derive ultimately from Proto-Indo-European *h₁es- (“to be”), which had no separate infinitive in Germanic. The modern infinitive was probably back-formed in late Old Dutch from the first-person plural subjunctive sīn (“we be”), since this form had become identical to the infinitive in other verbs during the late Old Dutch period. Compare also German sein, Low German sien.
    2. The original infinitive survives in wezen, from Middle Dutch wesen, from Old Dutch wesan, from Proto-West Germanic *wesan, from Proto-Germanic *wesaną, from *h₂wes- (“to reside”). All the forms with initial w- (imperative and past tense) derive from this root.
    3. Finally, the forms ben and bent derive from Proto-Germanic *beuną (“to be, to become”), from *bʰuH- (“to become”), which survives only as relic forms in the West Germanic languages and not at all in the others. Its infinitive and non-singular forms are attested in (Old) English, Frisian and a number of Dutch dialects. See: German, old spelling 'sein', Low Saxon 'sien', Old Dutch 'wesan', Proto-Germanic '*wesaną', Proto-Germanic '*beuną'.

    Verbs referencing "zijn"

    German, Pennsylvania sei, Alemannic German si, German, old spelling sein, Luxembourgish sinn, Low Saxon sien, Plautdietsch sennen.

    Additional Information