fabuleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fabuleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fabuleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fabulerend
Past participle - Verleden deelwoord: gefabuleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfabuleer
jijfabuleert
hijfabuleert
wijfabuleren
julliefabuleren
zijfabuleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefabuleerd
jijhebt gefabuleerd
hijheeft gefabuleerd
wijhebben gefabuleerd
julliehebben gefabuleerd
zijhebben gefabuleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfabuleerde
jijfabuleerde
hijfabuleerde
wijfabuleerden
julliefabuleerden
zijfabuleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefabuleerd
jijhad gefabuleerd
hijhad gefabuleerd
wijhadden gefabuleerd
julliehadden gefabuleerd
zijhadden gefabuleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fabuleren
jijzult fabuleren
hijzal fabuleren
wijzullen fabuleren
julliezullen fabuleren
zijzullen fabuleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefabuleerd hebben
jijzult gefabuleerd hebben
hijzal gefabuleerd hebben
wijzullen gefabuleerd hebben
julliezullen gefabuleerd hebben
zijzullen gefabuleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fabuleren
jijzou fabuleren
hijzou fabuleren
wijzouden fabuleren
julliezouden fabuleren
zijzouden fabuleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefabuleerd hebben
jijzou gefabuleerd hebben
hijzou gefabuleerd hebben
wijzouden gefabuleerd hebben
julliezouden gefabuleerd hebben
zijzouden gefabuleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfabuleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

fantaseren
bedenken, verbeelden, verzinnen

Sample Sentences

Etymology

From French fabuler, adapted with the suffix -eren. See: French 'fabuler'.

Additional Information