beffen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beffen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beffen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beffend
Past participle - Verleden deelwoord: gebeft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbef
jijbeft
hijbeft
wijbeffen
julliebeffen
zijbeffen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebeft
jijhebt gebeft
hijheeft gebeft
wijhebben gebeft
julliehebben gebeft
zijhebben gebeft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbefte
jijbefte
hijbefte
wijbeften
julliebeften
zijbeften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebeft
jijhad gebeft
hijhad gebeft
wijhadden gebeft
julliehadden gebeft
zijhadden gebeft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beffen
jijzult beffen
hijzal beffen
wijzullen beffen
julliezullen beffen
zijzullen beffen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebeft hebben
jijzult gebeft hebben
hijzal gebeft hebben
wijzullen gebeft hebben
julliezullen gebeft hebben
zijzullen gebeft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beffen
jijzou beffen
hijzou beffen
wijzouden beffen
julliezouden beffen
zijzouden beffen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebeft hebben
jijzou gebeft hebben
hijzou gebeft hebben
wijzouden gebeft hebben
julliezouden gebeft hebben
zijzouden gebeft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbef

Translations

  • gamahuche, oral sex
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From bef + -en.

    Additional Information