voortzetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voortzetten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voortzetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voortzettend
Past participle - Verleden deelwoord: voortgezet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzet voort
jijzet voort
hijzet voort
wijzetten voort
julliezetten voort
zijzetten voort

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voortgezet
jijhebt voortgezet
hijheeft voortgezet
wijhebben voortgezet
julliehebben voortgezet
zijhebben voortgezet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzette voort
jijzette voort
hijzette voort
wijzetten voort
julliezetten voort
zijzetten voort

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voortgezet
jijhad voortgezet
hijhad voortgezet
wijhadden voortgezet
julliehadden voortgezet
zijhadden voortgezet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voortzetten
jijzult voortzetten
hijzal voortzetten
wijzullen voortzetten
julliezullen voortzetten
zijzullen voortzetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voortgezet hebben
jijzult voortgezet hebben
hijzal voortgezet hebben
wijzullen voortgezet hebben
julliezullen voortgezet hebben
zijzullen voortgezet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voortzetten
jijzou voortzetten
hijzou voortzetten
wijzouden voortzetten
julliezouden voortzetten
zijzouden voortzetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voortgezet hebben
jijzou voortgezet hebben
hijzou voortgezet hebben
wijzouden voortgezet hebben
julliezouden voortgezet hebben
zijzouden voortgezet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzet voort

Translations

  • continue, transitive: proceed
  • continue, intransitive: resume
  • resume, start something again that has been stopped or paused
  • Sample Sentences

    Etymology

    From voort + zetten.

    Additional Information