voorzitten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorzitten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorzitten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorzittend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgezeten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzit voor
jijzit voor
hijzit voor
wijzitten voor
julliezitten voor
zijzitten voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgezeten
jijhebt voorgezeten
hijheeft voorgezeten
wijhebben voorgezeten
julliehebben voorgezeten
zijhebben voorgezeten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzat voor
jijzat voor
hijzat voor
wijzaten voor
julliezaten voor
zijzaten voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgezeten
jijhad voorgezeten
hijhad voorgezeten
wijhadden voorgezeten
julliehadden voorgezeten
zijhadden voorgezeten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorzitten
jijzult voorzitten
hijzal voorzitten
wijzullen voorzitten
julliezullen voorzitten
zijzullen voorzitten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgezeten hebben
jijzult voorgezeten hebben
hijzal voorgezeten hebben
wijzullen voorgezeten hebben
julliezullen voorgezeten hebben
zijzullen voorgezeten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorzitten
jijzou voorzitten
hijzou voorzitten
wijzouden voorzitten
julliezouden voorzitten
zijzouden voorzitten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgezeten hebben
jijzou voorgezeten hebben
hijzou voorgezeten hebben
wijzouden voorgezeten hebben
julliezouden voorgezeten hebben
zijzouden voorgezeten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzit voor

Translations

  • preside, to act as a president or chairperson
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    presideren
    leiden

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch voresitten. Equivalent to voor + zitten.

    Additional Information