afbouwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbouwen

The word "afbouwen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbouwend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebouwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbouw af
jijbouwt af
hijbouwt af
wijbouwen af
julliebouwen af
zijbouwen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgebouwd
jijhebt afgebouwd
hijheeft afgebouwd
wijhebben afgebouwd
julliehebben afgebouwd
zijhebben afgebouwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbouwde af
jijbouwde af
hijbouwde af
wijbouwden af
julliebouwden af
zijbouwden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgebouwd
jijhad afgebouwd
hijhad afgebouwd
wijhadden afgebouwd
julliehadden afgebouwd
zijhadden afgebouwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbouwen
jijzult afbouwen
hijzal afbouwen
wijzullen afbouwen
julliezullen afbouwen
zijzullen afbouwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgebouwd hebben
jijzult afgebouwd hebben
hijzal afgebouwd hebben
wijzullen afgebouwd hebben
julliezullen afgebouwd hebben
zijzullen afgebouwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbouwen
jijzou afbouwen
hijzou afbouwen
wijzouden afbouwen
julliezouden afbouwen
zijzouden afbouwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgebouwd hebben
jijzou afgebouwd hebben
hijzou afgebouwd hebben
wijzouden afgebouwd hebben
julliezouden afgebouwd hebben
zijzouden afgebouwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbouw af

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From af + bouwen.

Verbs referencing "afbouwen"

Frisian, Saterlandic oubaue.

Additional Information