bespatten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bespatten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bespatten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bespattend
Past participle - Verleden deelwoord: bespat

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbespat
jijbespat
hijbespat
wijbespatten
julliebespatten
zijbespatten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb bespat
jijhebt bespat
hijheeft bespat
wijhebben bespat
julliehebben bespat
zijhebben bespat

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbespatte
jijbespatte
hijbespatte
wijbespatten
julliebespatten
zijbespatten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad bespat
jijhad bespat
hijhad bespat
wijhadden bespat
julliehadden bespat
zijhadden bespat

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bespatten
jijzult bespatten
hijzal bespatten
wijzullen bespatten
julliezullen bespatten
zijzullen bespatten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal bespat hebben
jijzult bespat hebben
hijzal bespat hebben
wijzullen bespat hebben
julliezullen bespat hebben
zijzullen bespat hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bespatten
jijzou bespatten
hijzou bespatten
wijzouden bespatten
julliezouden bespatten
zijzouden bespatten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou bespat hebben
jijzou bespat hebben
hijzou bespat hebben
wijzouden bespat hebben
julliezouden bespat hebben
zijzouden bespat hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbespat

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information