Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: ophouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ophoudend
Past participle - Verleden deelwoord: opgehouden
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | houd op; hou op |
| jij | houdt op |
| hij | houdt op |
| wij | houden op |
| jullie | houden op |
| zij | houden op |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb opgehouden |
| jij | hebt opgehouden |
| hij | heeft opgehouden |
| wij | hebben opgehouden |
| jullie | hebben opgehouden |
| zij | hebben opgehouden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | hield op |
| jij | hield op |
| hij | hield op |
| wij | hielden op |
| jullie | hielden op |
| zij | hielden op |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had opgehouden |
| jij | had opgehouden |
| hij | had opgehouden |
| wij | hadden opgehouden |
| jullie | hadden opgehouden |
| zij | hadden opgehouden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal ophouden |
| jij | zult ophouden |
| hij | zal ophouden |
| wij | zullen ophouden |
| jullie | zullen ophouden |
| zij | zullen ophouden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal opgehouden hebben |
| jij | zult opgehouden hebben |
| hij | zal opgehouden hebben |
| wij | zullen opgehouden hebben |
| jullie | zullen opgehouden hebben |
| zij | zullen opgehouden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou ophouden |
| jij | zou ophouden |
| hij | zou ophouden |
| wij | zouden ophouden |
| jullie | zouden ophouden |
| zij | zouden ophouden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou opgehouden hebben |
| jij | zou opgehouden hebben |
| hij | zou opgehouden hebben |
| wij | zouden opgehouden hebben |
| jullie | zouden opgehouden hebben |
| zij | zouden opgehouden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'ophouden'
aanhouden,
achterhouden,
afhouden,
behouden,
bezighouden,
houden,
huishouden,
inhouden,
onderhouden,
onthouden,
ophouden,
terughouden,
uithouden,
vasthouden,
volhouden,
weerhouden,
Verbs similar to 'ophouden'
afhouden,
behouden,
houden,
inhouden,
onthouden,
opvoeden,
volhouden,
aanhouden,
behoeden,
hoeden,
Translations
slow, to reduce the speed of
finish, to come to an end
end, intransitive: be finished, be terminated
stop, to not continue
Sample Sentences
-
[...] bij wien hij dezelfde drangredenen had aangevoerd, om hem van zijn vertrek naar het leger in de Nederlanden terug te houden, waar hij zijn dood had gevonden. Hij verzekerde mij, dat hij nimmer zou ophouden voor mijn welzijn te bidden, maar dat hij mij durfde voorspellen, dat, zoo ik den onzinnigen stap, waartoe ik voornemens scheen, uitvoerde, ik niet op ' s Hemels zegen hopen mogt, en dat het [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] als zoo vele zeelieden. De punsch werd gereed gemaakt, en mijn berouw over het verledene en al mijne wijze voornemens voor het toekomende, daarin verdronken. In een woord, gelijk de zee, na het ophouden van den storm, tot hare gewone kalmte terugkeerde, zoo hervatte ik, na bevrijd te zijn van de vrees, om door de zee verzwolgen te worden, mijne gewone wijze van denken, en vergat al de geloften, die [...]
(Robinson Crusoe)
-
Toen de stroom mij aldus meer dan eene mijl ver had gebragt, vond ik dat hij ophield en mij niet verder hielp. Ik vond echter, dat tusschen de twee groote stroomingen, namelijk, die aan de zuidzijde, die mij naar zee gedreven had, en die aan de noordzijde, het water ten westen van [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From op (“up”) + houden (“hold”).
Verbs referencing "ophouden"
English
uphold, Luxembourgish
ophalen, German, old spelling
aufhalten.
Additional Information