voorzeggen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorzeggen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorzeggen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorzeggend
Past participle - Verleden deelwoord: voorzegd; voorgezegd

Cognates

See the 3 cognates of voorzeggen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoorzeg; zeg voor
jijvoorzegt; zegt voor
hijvoorzegt; zegt voor
wijvoorzeggen; zeggen voor
jullievoorzeggen; zeggen voor
zijvoorzeggen; zeggen voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorzegd; voorgezegd
jijhebt voorzegd; voorgezegd
hijheeft voorzegd; voorgezegd
wijhebben voorzegd; voorgezegd
julliehebben voorzegd; voorgezegd
zijhebben voorzegd; voorgezegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoorzegde; zei voor
jijvoorzegde; zei voor
hijvoorzegde; zei voor
wijvoorzegden; zeien voor
jullievoorzegden; zeien voor
zijvoorzegden; zeien voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorzegd; voorgezegd
jijhad voorzegd; voorgezegd
hijhad voorzegd; voorgezegd
wijhadden voorzegd; voorgezegd
julliehadden voorzegd; voorgezegd
zijhadden voorzegd; voorgezegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorzeggen
jijzult voorzeggen
hijzal voorzeggen
wijzullen voorzeggen
julliezullen voorzeggen
zijzullen voorzeggen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorzegd; voorgezegd hebben
jijzult voorzegd; voorgezegd hebben
hijzal voorzegd; voorgezegd hebben
wijzullen voorzegd; voorgezegd hebben
julliezullen voorzegd; voorgezegd hebben
zijzullen voorzegd; voorgezegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorzeggen
jijzou voorzeggen
hijzou voorzeggen
wijzouden voorzeggen
julliezouden voorzeggen
zijzouden voorzeggen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorzegd; voorgezegd hebben
jijzou voorzegd; voorgezegd hebben
hijzou voorzegd; voorgezegd hebben
wijzouden voorzegd; voorgezegd hebben
julliezouden voorzegd; voorgezegd hebben
zijzouden voorzegd; voorgezegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoorzeg; zeg voor

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

profeteren
aankondigen, voorspellen

Sample Sentences

Etymology

From voor + zeggen. Compare German vorsagen. See: German, old spelling 'vorsagen'.

Verbs referencing "voorzeggen"

English foresay, German, old spelling vorsagen.

Additional Information