Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: doorgaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: doorgaand
Past participle - Verleden deelwoord: doorgegaan
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ga door |
| jij | gaat door |
| hij | gaat door |
| wij | gaan door |
| jullie | gaan door |
| zij | gaan door |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | ben doorgegaan |
| jij | bent doorgegaan |
| hij | is doorgegaan |
| wij | zijn doorgegaan |
| jullie | zijn doorgegaan |
| zij | zijn doorgegaan |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ging door |
| jij | ging door |
| hij | ging door |
| wij | gingen door |
| jullie | gingen door |
| zij | gingen door |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | was doorgegaan |
| jij | was doorgegaan |
| hij | was doorgegaan |
| wij | waren doorgegaan |
| jullie | waren doorgegaan |
| zij | waren doorgegaan |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal doorgaan |
| jij | zult doorgaan |
| hij | zal doorgaan |
| wij | zullen doorgaan |
| jullie | zullen doorgaan |
| zij | zullen doorgaan |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal doorgegaan zijn |
| jij | zult doorgegaan zijn |
| hij | zal doorgegaan zijn |
| wij | zullen doorgegaan zijn |
| jullie | zullen doorgegaan zijn |
| zij | zullen doorgegaan zijn |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou doorgaan |
| jij | zou doorgaan |
| hij | zou doorgaan |
| wij | zouden doorgaan |
| jullie | zouden doorgaan |
| zij | zouden doorgaan |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou doorgegaan zijn |
| jij | zou doorgegaan zijn |
| hij | zou doorgegaan zijn |
| wij | zouden doorgegaan zijn |
| jullie | zouden doorgegaan zijn |
| zij | zouden doorgegaan zijn |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'doorgaan'
aangaan,
achtergaan,
achternagaan,
achteruitgaan,
afgaan,
begaan,
doorgaan,
gaan,
heengaan,
ingaan,
nagaan,
omgaan,
ondergaan,
ontgaan,
opgaan,
overgaan,
rondgaan,
toegaan,
uitgaan,
vergaan, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'doorgaan'
voorgaan,
doorstaan,
doodslaan,
doorzien,
omgaan,
ontgaan,
opgaan,
overgaan,
rondgaan,
toegaan,
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- blijven
- aanblijven, aanhouden, voortbestaan
- continueren
- vervolgen, voortzetten
- doorzetten
- doorbijten, doordouwen, volharden, volhouden
- passeren
- gelden
- vervolgen
- hervatten, voortzetten
Antonyms
- continueren
- beëindigen, afbouwen, afbreken, afkappen, afronden, afsluiten, afzoenen, besluiten, bijleggen, opheffen, ophouden, stopzetten, uitmaken, volbrengen, voltooien
Sample Sentences
-
[...] in was, in eene andere overgegoten te hebben. Aldus van het noodige voorzien, zeilden wij de haven uit. Aan het kasteel, dat aan den ingang van de haven ligt, kende men ons, en liet ons ongehinderd doorgaan, en toen wij een vierde mijl in zee waren, haalden wij het zeil in en gingen aan het visschen. De wind was N.N.O., hetgeen ik zeer ongelukkig trof. Zoo hij zuidelijk geweest was, had ik ligtelijk de [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] genoodzaakt ongeveer tien ellen op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze weerkaatsten [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] en een mijne papegaaijen mede; ook vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak had gevonden. Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den 19 December [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch doregaen. Equivalent to door + gaan; cognate with German durchgehen, West Frisian trochgean and obsolete English thoroughgo. See: German, old spelling '
durchgehen'.
Verbs referencing "doorgaan"
German, old spelling
durchgehen.
Additional Information