voorzetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of voorzetten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: voorzetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: voorzettend
Past participle - Verleden deelwoord: voorgezet

Cognates

See the 3 cognates of voorzetten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzet voor
jijzet voor
hijzet voor
wijzetten voor
julliezetten voor
zijzetten voor

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb voorgezet
jijhebt voorgezet
hijheeft voorgezet
wijhebben voorgezet
julliehebben voorgezet
zijhebben voorgezet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzette voor
jijzette voor
hijzette voor
wijzetten voor
julliezetten voor
zijzetten voor

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad voorgezet
jijhad voorgezet
hijhad voorgezet
wijhadden voorgezet
julliehadden voorgezet
zijhadden voorgezet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal voorzetten
jijzult voorzetten
hijzal voorzetten
wijzullen voorzetten
julliezullen voorzetten
zijzullen voorzetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal voorgezet hebben
jijzult voorgezet hebben
hijzal voorgezet hebben
wijzullen voorgezet hebben
julliezullen voorgezet hebben
zijzullen voorgezet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou voorzetten
jijzou voorzetten
hijzou voorzetten
wijzouden voorzetten
julliezouden voorzetten
zijzouden voorzetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou voorgezet hebben
jijzou voorgezet hebben
hijzou voorgezet hebben
wijzouden voorgezet hebben
julliezouden voorgezet hebben
zijzouden voorgezet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzet voor

Translations

  • assist, to make a pass in a sport
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    schaffen
    opdissen

    Sample Sentences

    Etymology

    From voor (“before, in front”) + zetten (“to set”).

    Verbs referencing "voorzetten"

    English foreset.

    Additional Information