winden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of winden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: winden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: windend
Past participle - Verleden deelwoord: gewonden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwind
jijwindt
hijwindt
wijwinden
julliewinden
zijwinden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewonden
jijhebt gewonden
hijheeft gewonden
wijhebben gewonden
julliehebben gewonden
zijhebben gewonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwond
jijwond
hijwond
wijwonden
julliewonden
zijwonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewonden
jijhad gewonden
hijhad gewonden
wijhadden gewonden
julliehadden gewonden
zijhadden gewonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal winden
jijzult winden
hijzal winden
wijzullen winden
julliezullen winden
zijzullen winden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewonden hebben
jijzult gewonden hebben
hijzal gewonden hebben
wijzullen gewonden hebben
julliezullen gewonden hebben
zijzullen gewonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou winden
jijzou winden
hijzou winden
wijzouden winden
julliezouden winden
zijzouden winden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewonden hebben
jijzou gewonden hebben
hijzou gewonden hebben
wijzouden gewonden hebben
julliezouden gewonden hebben
zijzouden gewonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwind

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

draaien
rollen, wikkelen

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch winden, from Old Dutch *windan, from Proto-Germanic *windaną. See: Middle Dutch 'winden', Proto-Germanic '*windaną'.

Verbs referencing "winden"

English winnow, Old English windan, Luxembourgish wënnen, Old High German wintan.

Additional Information