afbinden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afbinden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afbinden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afbindend
Past participle - Verleden deelwoord: afgebonden

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbind af
jijbindt af
hijbindt af
wijbinden af
julliebinden af
zijbinden af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgebonden
jijhebt afgebonden
hijheeft afgebonden
wijhebben afgebonden
julliehebben afgebonden
zijhebben afgebonden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbond af
jijbond af
hijbond af
wijbonden af
julliebonden af
zijbonden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgebonden
jijhad afgebonden
hijhad afgebonden
wijhadden afgebonden
julliehadden afgebonden
zijhadden afgebonden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afbinden
jijzult afbinden
hijzal afbinden
wijzullen afbinden
julliezullen afbinden
zijzullen afbinden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgebonden hebben
jijzult afgebonden hebben
hijzal afgebonden hebben
wijzullen afgebonden hebben
julliezullen afgebonden hebben
zijzullen afgebonden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afbinden
jijzou afbinden
hijzou afbinden
wijzouden afbinden
julliezouden afbinden
zijzouden afbinden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgebonden hebben
jijzou afgebonden hebben
hijzou afgebonden hebben
wijzouden afgebonden hebben
julliezouden afgebonden hebben
zijzouden afgebonden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbind af

Translations

  • ligate, to bind with a ligature or bandage
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afdoen
    afgooien, afleggen, afwerpen, afzetten

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information