blinken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of blinken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: blinken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: blinkend
Past participle - Verleden deelwoord: geblonken

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikblink
jijblinkt
hijblinkt
wijblinken
jullieblinken
zijblinken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geblonken
jijhebt geblonken
hijheeft geblonken
wijhebben geblonken
julliehebben geblonken
zijhebben geblonken

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikblonk
jijblonk
hijblonk
wijblonken
jullieblonken
zijblonken

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geblonken
jijhad geblonken
hijhad geblonken
wijhadden geblonken
julliehadden geblonken
zijhadden geblonken

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal blinken
jijzult blinken
hijzal blinken
wijzullen blinken
julliezullen blinken
zijzullen blinken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geblonken hebben
jijzult geblonken hebben
hijzal geblonken hebben
wijzullen geblonken hebben
julliezullen geblonken hebben
zijzullen geblonken hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou blinken
jijzou blinken
hijzou blinken
wijzouden blinken
julliezouden blinken
zijzouden blinken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geblonken hebben
jijzou geblonken hebben
hijzou geblonken hebben
wijzouden geblonken hebben
julliezouden geblonken hebben
zijzouden geblonken hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijblink

Translations

  • shine, to reflect light
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    glanzen
    glimmen, schitteren

    Sample Sentences

    • [...] want ik was een eind weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. " O vreugde, o blijdschap ! " riep hij uit. " Dáár mijn land, dáár mijn volk zien ! " Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik in den beginne niet zoo gerust [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch blinken, from Old Dutch *blinkan, from Proto-Germanic *blinkaną. See: Middle Dutch 'blinken'.

    Verbs referencing "blinken"

    English blink, German, old spelling blinken, Luxembourgish blénken.

    Additional Information