Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: wenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wendend
Past participle - Verleden deelwoord: gewend
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | wend |
| jij | wendt |
| hij | wendt |
| wij | wenden |
| jullie | wenden |
| zij | wenden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gewend |
| jij | hebt gewend |
| hij | heeft gewend |
| wij | hebben gewend |
| jullie | hebben gewend |
| zij | hebben gewend |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | wendde |
| jij | wendde |
| hij | wendde |
| wij | wendden |
| jullie | wendden |
| zij | wendden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gewend |
| jij | had gewend |
| hij | had gewend |
| wij | hadden gewend |
| jullie | hadden gewend |
| zij | hadden gewend |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal wenden |
| jij | zult wenden |
| hij | zal wenden |
| wij | zullen wenden |
| jullie | zullen wenden |
| zij | zullen wenden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gewend hebben |
| jij | zult gewend hebben |
| hij | zal gewend hebben |
| wij | zullen gewend hebben |
| jullie | zullen gewend hebben |
| zij | zullen gewend hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou wenden |
| jij | zou wenden |
| hij | zou wenden |
| wij | zouden wenden |
| jullie | zouden wenden |
| zij | zouden wenden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gewend hebben |
| jij | zou gewend hebben |
| hij | zou gewend hebben |
| wij | zouden gewend hebben |
| jullie | zouden gewend hebben |
| zij | zouden gewend hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'wenden'
aanaarden,
aanbanden,
aanbelanden,
aanbloeden,
aanboorden,
aanbranden,
aanduiden,
aanlanden,
aanleiden,
aanmelden,
aanranden,
aanspelden,
aanspoeden,
aanvaarden,
aanwenden,
aanzanden,
afbeelden,
afgronden,
afleiden,
afmelden, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'wenden'
wedden,
weiden,
wenken,
wennen,
wensen,
winden,
wonden,
zenden,
afwenden,
binden,
Translations
Sample Sentences
-
[...] Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons, hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] aan zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch wenden, from Old Dutch wenden, from Proto-West Germanic *wandijan, from Proto-Germanic *wandijaną. Historically a causative verb to winden (“to wind”). See: Proto-Germanic '
*wandijaną'.
Verbs referencing "wenden"
English
wend.
Additional Information