wenden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of wenden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: wenden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: wendend
Past participle - Verleden deelwoord: gewend

Cognates

See the 7 cognates of wenden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwend
jijwendt
hijwendt
wijwenden
julliewenden
zijwenden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gewend
jijhebt gewend
hijheeft gewend
wijhebben gewend
julliehebben gewend
zijhebben gewend

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwendde
jijwendde
hijwendde
wijwendden
julliewendden
zijwendden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gewend
jijhad gewend
hijhad gewend
wijhadden gewend
julliehadden gewend
zijhadden gewend

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal wenden
jijzult wenden
hijzal wenden
wijzullen wenden
julliezullen wenden
zijzullen wenden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gewend hebben
jijzult gewend hebben
hijzal gewend hebben
wijzullen gewend hebben
julliezullen gewend hebben
zijzullen gewend hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou wenden
jijzou wenden
hijzou wenden
wijzouden wenden
julliezouden wenden
zijzouden wenden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gewend hebben
jijzou gewend hebben
hijzou gewend hebben
wijzouden gewend hebben
julliezouden gewend hebben
zijzouden gewend hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwend

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

draaien
kenteren, krimpen, ruimen
keren
draaien, omkeren, zwenken
richten
leiden, sturen, vestigen
zwenken
keren, draaien, afslaan

Sample Sentences

  • [...] Ik vloog uit de kajuit, sloeg de oogen rondom mij en zag een allerverschrikkelijkst schouwspel. De golven gingen berghoog, en braken om de drie of vier minuten over ons schip. Waar ik de oogen wendde zag ik niets dan nood. Twee zwaar geladen schepen, digt bij ons, hadden hunne masten tot op het dek gekapt, en de matrozen riepen dat een ander vaartuig, dat op eene mijl ongeveer voor ons lag, aan [...] (Robinson Crusoe)
  • [...] aan zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder [...] (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch wenden, from Old Dutch wenden, from Proto-West Germanic *wandijan, from Proto-Germanic *wandijaną. Historically a causative verb to winden (“to wind”). See: Proto-Germanic '*wandijaną'.

Verbs referencing "wenden"

English wend.

Additional Information