achteruitgaan – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of achteruitgaan

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: achteruitgaan
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: achteruitgaand
Past participle - Verleden deelwoord: achteruitgegaan

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikga achteruit
jijgaat achteruit
hijgaat achteruit
wijgaan achteruit
julliegaan achteruit
zijgaan achteruit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikben achteruitgegaan
jijbent achteruitgegaan
hijis achteruitgegaan
wijzijn achteruitgegaan
julliezijn achteruitgegaan
zijzijn achteruitgegaan

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikging achteruit
jijging achteruit
hijging achteruit
wijgingen achteruit
julliegingen achteruit
zijgingen achteruit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikwas achteruitgegaan
jijwas achteruitgegaan
hijwas achteruitgegaan
wijwaren achteruitgegaan
julliewaren achteruitgegaan
zijwaren achteruitgegaan

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal achteruitgaan
jijzult achteruitgaan
hijzal achteruitgaan
wijzullen achteruitgaan
julliezullen achteruitgaan
zijzullen achteruitgaan

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal achteruitgegaan zijn
jijzult achteruitgegaan zijn
hijzal achteruitgegaan zijn
wijzullen achteruitgegaan zijn
julliezullen achteruitgegaan zijn
zijzullen achteruitgegaan zijn

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou achteruitgaan
jijzou achteruitgaan
hijzou achteruitgaan
wijzouden achteruitgaan
julliezouden achteruitgaan
zijzouden achteruitgaan

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou achteruitgegaan zijn
jijzou achteruitgegaan zijn
hijzou achteruitgegaan zijn
wijzouden achteruitgegaan zijn
julliezouden achteruitgegaan zijn
zijzouden achteruitgegaan zijn

Imperative - Gebiedende wijs

jijga achteruit

Translations

  • decline, move downwards
  • decline, become weaker or worse
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    terugdeinzen
    teruglopen, terugwijken, wijken
    afbrokkelen
    aftakelen, kwijnen, verslechteren
    achteruitlopen
    achteruitrijden

    Sample Sentences

    Etymology

    From achteruit + gaan.

    Additional Information