flikken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of flikken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: flikken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flikkend
Past participle - Verleden deelwoord: geflikt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikflik
jijflikt
hijflikt
wijflikken
jullieflikken
zijflikken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geflikt
jijhebt geflikt
hijheeft geflikt
wijhebben geflikt
julliehebben geflikt
zijhebben geflikt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikflikte
jijflikte
hijflikte
wijflikten
jullieflikten
zijflikten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geflikt
jijhad geflikt
hijhad geflikt
wijhadden geflikt
julliehadden geflikt
zijhadden geflikt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal flikken
jijzult flikken
hijzal flikken
wijzullen flikken
julliezullen flikken
zijzullen flikken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geflikt hebben
jijzult geflikt hebben
hijzal geflikt hebben
wijzullen geflikt hebben
julliezullen geflikt hebben
zijzullen geflikt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou flikken
jijzou flikken
hijzou flikken
wijzouden flikken
julliezouden flikken
zijzouden flikken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geflikt hebben
jijzou geflikt hebben
hijzou geflikt hebben
wijzouden geflikt hebben
julliezouden geflikt hebben
zijzouden geflikt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijflik

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

klaarspelen
lappen, leveren

Sample Sentences

  • Wat flik je me nou? (What on earth are you doing?)

Etymology

Borrowed from German flicken. See: German, old spelling 'flicken'.

Additional Information