Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: verbinden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verbindend
Past participle - Verleden deelwoord: verbonden
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | verbind |
| jij | verbindt |
| hij | verbindt |
| wij | verbinden |
| jullie | verbinden |
| zij | verbinden |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb verbonden |
| jij | hebt verbonden |
| hij | heeft verbonden |
| wij | hebben verbonden |
| jullie | hebben verbonden |
| zij | hebben verbonden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | verbond |
| jij | verbond |
| hij | verbond |
| wij | verbonden |
| jullie | verbonden |
| zij | verbonden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had verbonden |
| jij | had verbonden |
| hij | had verbonden |
| wij | hadden verbonden |
| jullie | hadden verbonden |
| zij | hadden verbonden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal verbinden |
| jij | zult verbinden |
| hij | zal verbinden |
| wij | zullen verbinden |
| jullie | zullen verbinden |
| zij | zullen verbinden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal verbonden hebben |
| jij | zult verbonden hebben |
| hij | zal verbonden hebben |
| wij | zullen verbonden hebben |
| jullie | zullen verbonden hebben |
| zij | zullen verbonden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou verbinden |
| jij | zou verbinden |
| hij | zou verbinden |
| wij | zouden verbinden |
| jullie | zouden verbinden |
| zij | zouden verbinden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou verbonden hebben |
| jij | zou verbonden hebben |
| hij | zou verbonden hebben |
| wij | zouden verbonden hebben |
| jullie | zouden verbonden hebben |
| zij | zouden verbonden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'verbinden'
aanbinden,
aandringen,
aandrinken,
aaneenbinden,
aaneenklinken,
aanklinken,
aanwinden,
afbinden,
afdingen,
afdringen,
afdrinken,
afdwingen,
afspringen,
bedwingen,
bevinden,
binden,
blinken,
dingen,
dringen,
drinken, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'verbinden'
verbieden,
verblinden,
verbannen,
verbranden,
verlijden,
vermijden,
verminken,
verslinden,
verwijden,
verwonden,
Translations
bind, ''transitive'' connect
conflate, fuse into a single entity
connect, to join two or more pieces
connect, to join an electrical or telephone line
elide, to cut off, as a vowel or a syllable
elide, to conflate
link, connect things
weld, to bind, unite
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- koppelen
- vastmaken
Sample Sentences
-
[...] verrukt van vreugde er over; en mijn goede vriend de kapitein had de 5 [ £ ] Sterl., die de weduwe hem tot een geschenk had gezonden, besteed, om voor mij een dienstknecht, die zich voor zes jaren verbonden had, aan te schaffen; en hij wilde niets van mij aannemen dan een weinig tabak, omdat ik dien zelf geteeld had.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From Middle Dutch verbinden, from Old Dutch *farbindan, from Proto-West Germanic *frabindan. Equivalent to ver- + binden. Cognate with German verbinden and Old English forbindan (whence Middle English forbinden). See: German, old spelling '
verbinden', Old English '
forbindan', Middle English '
forbinden'.
Verbs referencing "verbinden"
German, old spelling
verbinden.
Additional Information