verminken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verminken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verminken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verminkend
Past participle - Verleden deelwoord: verminkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvermink
jijverminkt
hijverminkt
wijverminken
jullieverminken
zijverminken

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verminkt
jijhebt verminkt
hijheeft verminkt
wijhebben verminkt
julliehebben verminkt
zijhebben verminkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverminkte
jijverminkte
hijverminkte
wijverminkten
jullieverminkten
zijverminkten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verminkt
jijhad verminkt
hijhad verminkt
wijhadden verminkt
julliehadden verminkt
zijhadden verminkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verminken
jijzult verminken
hijzal verminken
wijzullen verminken
julliezullen verminken
zijzullen verminken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verminkt hebben
jijzult verminkt hebben
hijzal verminkt hebben
wijzullen verminkt hebben
julliezullen verminkt hebben
zijzullen verminkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verminken
jijzou verminken
hijzou verminken
wijzouden verminken
julliezouden verminken
zijzouden verminken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verminkt hebben
jijzou verminkt hebben
hijzou verminkt hebben
wijzouden verminkt hebben
julliezouden verminkt hebben
zijzouden verminkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvermink

Translations

  • maim, to cause permanent loss of a part of the body
  • mutilate, To physically harm as to impair use
  • mutilate, To destroy beyond recognition
  • mutilate, To render imperfect or defective
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    radbraken
    verknoeien
    verbasteren
    verhaspelen, vervormen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch verminken, a dialectal variant of vermenken (“to injure permanently”), from ver- + menken (variant minken), from the root manc (“a limping or lame person”) (cf. Dutch mank), from Latin mancus (“maimed or defective”), from Proto-Indo-European *man-ko- (“maimed in the hand”), from *man-.

    Additional Information