stoppen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stoppen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stoppen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stoppend
Past participle - Verleden deelwoord: gestopt

Cognates

See the 3 cognates of stoppen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstop
jijstopt
hijstopt
wijstoppen
julliestoppen
zijstoppen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestopt
jijhebt gestopt
hijheeft gestopt
wijhebben gestopt
julliehebben gestopt
zijhebben gestopt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstopte
jijstopte
hijstopte
wijstopten
julliestopten
zijstopten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestopt
jijhad gestopt
hijhad gestopt
wijhadden gestopt
julliehadden gestopt
zijhadden gestopt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stoppen
jijzult stoppen
hijzal stoppen
wijzullen stoppen
julliezullen stoppen
zijzullen stoppen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestopt hebben
jijzult gestopt hebben
hijzal gestopt hebben
wijzullen gestopt hebben
julliezullen gestopt hebben
zijzullen gestopt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stoppen
jijzou stoppen
hijzou stoppen
wijzouden stoppen
julliezouden stoppen
zijzouden stoppen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestopt hebben
jijzou gestopt hebben
hijzou gestopt hebben
wijzouden gestopt hebben
julliezouden gestopt hebben
zijzouden gestopt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstop

Translations

  • abort, computing: to terminate a process prior to completion
  • arrest, to stop or slow a process etc.
  • bag, to put into a bag
  • cut, to cease recording
  • escape, to halt a program by pressing a combination of keys
  • stem, to stop, hinder
  • stop, to cease moving
  • stop, to not continue
  • stop, to cause to cease moving
  • stop, to cause to come to an end
  • stop, to stay a while
  • stop, to tarry
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opvullen
    dichtmaken, volstoppen, volproppen
    plaatsen
    opbergen, steken, proppen
    stopzetten
    stilleggen, uitzetten
    afhaken
    uitscheiden, ophouden

    Sample Sentences

    • [...] voorgenomen reis streelde mij, zonder dat ik ooit overwoog of ik wel in staat zou zijn die te beginnen. Wel dacht ik dikwijls, dat het mij moeijelijk zou zijn mijne boot te water brengen, maar dan stopte ik mij zelven den mond met het dwaze antwoord: " Laat mij maar eerst de kanoe gereed hebben, dan zal ik wel middel vinden haar te gebruiken. " (Robinson Crusoe)
    • [...] maakten, en met alle man de boot zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er kwam geene boot [...] (Robinson Crusoe)
    • De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken, het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat zij tegen [...] (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch stoppen, from Old Dutch *stoppon, from Proto-West Germanic *stoppōn. Doublet of stofferen. See: Old Dutch '*stoppon'.

    Verbs referencing "stoppen"

    English stop, German, old spelling stoppen, Russian штопать.

    Additional Information