stomen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stomen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stomen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stomend
Past participle - Verleden deelwoord: gestoomd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstoom
jijstoomt
hijstoomt
wijstomen
julliestomen
zijstomen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestoomd
jijhebt gestoomd
hijheeft gestoomd
wijhebben gestoomd
julliehebben gestoomd
zijhebben gestoomd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstoomde
jijstoomde
hijstoomde
wijstoomden
julliestoomden
zijstoomden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestoomd
jijhad gestoomd
hijhad gestoomd
wijhadden gestoomd
julliehadden gestoomd
zijhadden gestoomd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stomen
jijzult stomen
hijzal stomen
wijzullen stomen
julliezullen stomen
zijzullen stomen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestoomd hebben
jijzult gestoomd hebben
hijzal gestoomd hebben
wijzullen gestoomd hebben
julliezullen gestoomd hebben
zijzullen gestoomd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stomen
jijzou stomen
hijzou stomen
wijzouden stomen
julliezouden stomen
zijzouden stomen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestoomd hebben
jijzou gestoomd hebben
hijzou gestoomd hebben
wijzouden gestoomd hebben
julliezouden gestoomd hebben
zijzouden gestoomd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstoom

Translations

  • steam, cooking: to cook with steam
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    koken
    gaarkoken, pocheren, stoven
    reinigen
    schoonmaken, schrobben, vegen, wassen
    wasemen
    dampen

    Sample Sentences

    Etymology

    From stoom + -en.

    Additional Information