aanlokken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanlokken

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanlokken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanlokkend
Past participle - Verleden deelwoord: aangelokt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklok aan
jijlokt aan
hijlokt aan
wijlokken aan
jullielokken aan
zijlokken aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangelokt
jijhebt aangelokt
hijheeft aangelokt
wijhebben aangelokt
julliehebben aangelokt
zijhebben aangelokt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklokte aan
jijlokte aan
hijlokte aan
wijlokten aan
jullielokten aan
zijlokten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangelokt
jijhad aangelokt
hijhad aangelokt
wijhadden aangelokt
julliehadden aangelokt
zijhadden aangelokt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanlokken
jijzult aanlokken
hijzal aanlokken
wijzullen aanlokken
julliezullen aanlokken
zijzullen aanlokken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangelokt hebben
jijzult aangelokt hebben
hijzal aangelokt hebben
wijzullen aangelokt hebben
julliezullen aangelokt hebben
zijzullen aangelokt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanlokken
jijzou aanlokken
hijzou aanlokken
wijzouden aanlokken
julliezouden aanlokken
zijzouden aanlokken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangelokt hebben
jijzou aangelokt hebben
hijzou aangelokt hebben
wijzouden aangelokt hebben
julliezouden aangelokt hebben
zijzouden aangelokt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlok aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

aantrekken
bekoren
lokken
trekken

Sample Sentences

Etymology

Additional Information