proppen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of proppen

The word "proppen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: proppen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: proppend
Past participle - Verleden deelwoord: gepropt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprop
jijpropt
hijpropt
wijproppen
jullieproppen
zijproppen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepropt
jijhebt gepropt
hijheeft gepropt
wijhebben gepropt
julliehebben gepropt
zijhebben gepropt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpropte
jijpropte
hijpropte
wijpropten
julliepropten
zijpropten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepropt
jijhad gepropt
hijhad gepropt
wijhadden gepropt
julliehadden gepropt
zijhadden gepropt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal proppen
jijzult proppen
hijzal proppen
wijzullen proppen
julliezullen proppen
zijzullen proppen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepropt hebben
jijzult gepropt hebben
hijzal gepropt hebben
wijzullen gepropt hebben
julliezullen gepropt hebben
zijzullen gepropt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou proppen
jijzou proppen
hijzou proppen
wijzouden proppen
julliezouden proppen
zijzouden proppen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepropt hebben
jijzou gepropt hebben
hijzou gepropt hebben
wijzouden gepropt hebben
julliezouden gepropt hebben
zijzouden gepropt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprop

Translations

  • shoehorn, to exert great effort to insert or include something
  • stuff, to fill by crowding into
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch proppe, probably a borrowing from Latin propago (“layer, set, shoot (of a plant)”). See: Latin 'propago'.

    Additional Information