Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: inhouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: inhoudend
Past participle - Verleden deelwoord: ingehouden
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | houd in; hou in |
| jij | houdt in |
| hij | houdt in |
| wij | houden in |
| jullie | houden in |
| zij | houden in |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb ingehouden |
| jij | hebt ingehouden |
| hij | heeft ingehouden |
| wij | hebben ingehouden |
| jullie | hebben ingehouden |
| zij | hebben ingehouden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | hield in |
| jij | hield in |
| hij | hield in |
| wij | hielden in |
| jullie | hielden in |
| zij | hielden in |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had ingehouden |
| jij | had ingehouden |
| hij | had ingehouden |
| wij | hadden ingehouden |
| jullie | hadden ingehouden |
| zij | hadden ingehouden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal inhouden |
| jij | zult inhouden |
| hij | zal inhouden |
| wij | zullen inhouden |
| jullie | zullen inhouden |
| zij | zullen inhouden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal ingehouden hebben |
| jij | zult ingehouden hebben |
| hij | zal ingehouden hebben |
| wij | zullen ingehouden hebben |
| jullie | zullen ingehouden hebben |
| zij | zullen ingehouden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou inhouden |
| jij | zou inhouden |
| hij | zou inhouden |
| wij | zouden inhouden |
| jullie | zouden inhouden |
| zij | zouden inhouden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou ingehouden hebben |
| jij | zou ingehouden hebben |
| hij | zou ingehouden hebben |
| wij | zouden ingehouden hebben |
| jullie | zouden ingehouden hebben |
| zij | zouden ingehouden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'inhouden'
aanhouden,
achterhouden,
afhouden,
behouden,
bezighouden,
houden,
huishouden,
inhouden,
onderhouden,
onthouden,
ophouden,
terughouden,
uithouden,
vasthouden,
volhouden,
weerhouden,
Verbs similar to 'inhouden'
aanhouden,
afhouden,
behouden,
houden,
onthouden,
ophouden,
uithouden,
behoeden,
hoeden,
houwen,
Translations
contain, To hold inside
imply, to have as a consequence
impound, to hold back
inhere, To be inherent; to be an essential or intrinsic part of; to be fixed or permanently incorporated with something
refrain, to hold back
Synonyms & Antonyms
Synonyms
- afhouden
- aftrekken, korten
- aftrekken
- afhouden, korten, minderen
- beduiden
- voorspellen
- bedwingen
- beheersen, intomen
- beheersen
- bedwingen
- behelzen
- bevatten, omvatten
- beknibbelen
- besparen, bezuinigen, korten, uitsparen
- besluiten
- behelzen, omvatten
- bestaan
- omvatten
- bevatten
- behelzen, omvatten
- impliceren
- betekenen
- korten
- aftrekken
- matigen
- beperken, intomen, temperen
- meebrengen
- eisen, verlangen
- omvatten
- behelzen, bevatten
- opkroppen
- onderdrukken
- verbijten
- onderdrukken
- voorstellen
- betekenen, verbeelden
- zeggen
- beduiden, betekenen, bewijzen
Antonyms
- aftrekken
- optellen
Sample Sentences
-
[...] en ik gevoelde, dat ik met ontzettend geweld en snelheid naar het strand werd gedreven. Ik hield den adem in, en trachtte zoo veel ik kon vooruit te komen. Ik kon eindelijk niet langer den adem inhouden, toen ik gevoelde dat ik oprees, en mijn hoofd en handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water overstelpt, [...]
(Robinson Crusoe)
Etymology
From in + houden.
Additional Information