Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: uithouden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uithoudend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgehouden
Cognates
-
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | houd uit; hou uit |
| jij | houdt uit |
| hij | houdt uit |
| wij | houden uit |
| jullie | houden uit |
| zij | houden uit |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb uitgehouden |
| jij | hebt uitgehouden |
| hij | heeft uitgehouden |
| wij | hebben uitgehouden |
| jullie | hebben uitgehouden |
| zij | hebben uitgehouden |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | hield uit |
| jij | hield uit |
| hij | hield uit |
| wij | hielden uit |
| jullie | hielden uit |
| zij | hielden uit |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had uitgehouden |
| jij | had uitgehouden |
| hij | had uitgehouden |
| wij | hadden uitgehouden |
| jullie | hadden uitgehouden |
| zij | hadden uitgehouden |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal uithouden |
| jij | zult uithouden |
| hij | zal uithouden |
| wij | zullen uithouden |
| jullie | zullen uithouden |
| zij | zullen uithouden |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal uitgehouden hebben |
| jij | zult uitgehouden hebben |
| hij | zal uitgehouden hebben |
| wij | zullen uitgehouden hebben |
| jullie | zullen uitgehouden hebben |
| zij | zullen uitgehouden hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou uithouden |
| jij | zou uithouden |
| hij | zou uithouden |
| wij | zouden uithouden |
| jullie | zouden uithouden |
| zij | zouden uithouden |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou uitgehouden hebben |
| jij | zou uitgehouden hebben |
| hij | zou uitgehouden hebben |
| wij | zouden uitgehouden hebben |
| jullie | zouden uitgehouden hebben |
| zij | zouden uitgehouden hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'uithouden'
aanhouden,
achterhouden,
afhouden,
behouden,
bezighouden,
houden,
huishouden,
inhouden,
onderhouden,
onthouden,
ophouden,
terughouden,
uithouden,
vasthouden,
volhouden,
weerhouden,
Verbs similar to 'uithouden'
huishouden,
inhouden,
onthouden,
aanhouden,
afhouden,
behouden,
houden,
ophouden,
uitdoven,
uitkleden,
Translations
abide, endure without yielding
Sample Sentences
-
[...] en mijn hoofd en handen boven het water uitkwamen. Dit duurde geen twee sekonden, maar gaf mij den tijd adem te halen. Wederom werd ik door het water overstelpt, maar niet zoo lang of ik kon het uithouden, en bemerkende, dat het water terugliep, zwom ik daar tegen in, en gevoelde weder grond. Nog een oogenblik stond ik stil om adem te halen, en tot ik van het water vrij was; toen zette ik het op een [...]
(Robinson Crusoe)
-
[...] was; daarop nam ik eenigen en weekte dien een paar uren in rum, en besloot daar wat van te nemen als ik slapen ging, eindelijk brandde ik wat op kolen en hield mijn neus daarover, zoo lang ik het uithouden kon.
(Robinson Crusoe)
-
[...] te scheppen, toen ik bemerkte, dat slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn.
(Robinson Crusoe)
-
[...] opening in het bosch een geweerschot, en een paard met zadel en toom kwam er uitvliegen als de wind met zestien of zeventien wolven achter zich. Het paard liep sneller, maar kon het niet lang zoo uithouden, en zij moesten het weldra inhalen.
(Robinson Crusoe)
Etymology
From uit + houden.
Additional Information