hoeden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of hoeden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: hoeden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: hoedend
Past participle - Verleden deelwoord: gehoed

Cognates

See the 3 cognates of hoeden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikhoed
jijhoedt
hijhoedt
wijhoeden
julliehoeden
zijhoeden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gehoed
jijhebt gehoed
hijheeft gehoed
wijhebben gehoed
julliehebben gehoed
zijhebben gehoed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikhoedde
jijhoedde
hijhoedde
wijhoedden
julliehoedden
zijhoedden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gehoed
jijhad gehoed
hijhad gehoed
wijhadden gehoed
julliehadden gehoed
zijhadden gehoed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal hoeden
jijzult hoeden
hijzal hoeden
wijzullen hoeden
julliezullen hoeden
zijzullen hoeden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gehoed hebben
jijzult gehoed hebben
hijzal gehoed hebben
wijzullen gehoed hebben
julliezullen gehoed hebben
zijzullen gehoed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou hoeden
jijzou hoeden
hijzou hoeden
wijzouden hoeden
julliezouden hoeden
zijzouden hoeden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gehoed hebben
jijzou gehoed hebben
hijzou gehoed hebben
wijzouden gehoed hebben
julliezouden gehoed hebben
zijzouden gehoed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijhoed

Translations

  • graze, to tend cattle while grazing
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    beschermen
    bewaken, bewaren
    oppassen
    uitkijken

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch hoeden, from Old Dutch huoden, from Proto-West Germanic *hōdijan.

    Verbs referencing "hoeden"

    English heed, Old English hedan, German, old spelling hüten.

    Additional Information