minderen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of minderen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: minderen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: minderend
Past participle - Verleden deelwoord: geminderd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikminder
jijmindert
hijmindert
wijminderen
jullieminderen
zijminderen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geminderd
jijhebt geminderd
hijheeft geminderd
wijhebben geminderd
julliehebben geminderd
zijhebben geminderd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikminderde
jijminderde
hijminderde
wijminderden
jullieminderden
zijminderden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geminderd
jijhad geminderd
hijhad geminderd
wijhadden geminderd
julliehadden geminderd
zijhadden geminderd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal minderen
jijzult minderen
hijzal minderen
wijzullen minderen
julliezullen minderen
zijzullen minderen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geminderd hebben
jijzult geminderd hebben
hijzal geminderd hebben
wijzullen geminderd hebben
julliezullen geminderd hebben
zijzullen geminderd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou minderen
jijzou minderen
hijzou minderen
wijzouden minderen
julliezouden minderen
zijzouden minderen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geminderd hebben
jijzou geminderd hebben
hijzou geminderd hebben
wijzouden geminderd hebben
julliezouden geminderd hebben
zijzouden geminderd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijminder

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • [...] reeds begon te wanhopen, zagen zij, naar het scheen, mij door hunne kijkers, en dat het eene boot van Europeesch maaksel was, die zij onderstelden dat een schip moest behooren, dat vergaan was; dus minderden zij zeil, om mij op zijde te laten komen. Dit moedigde mij aan, en daar ik een vlag van mijn ouden meester aan boord had, heesch ik die in sjouw, tot een noodsein, en vuurde een geweer af. Zij zagen [...] (Robinson Crusoe)
  • 30 April. Daar ik bespeurde, dat mijn voorraad van brood sterk minderde, nam ik eens op wat er nog was, en stelde mij op rantsoen van een beschuit per dag, hetgeen mij zeer neêrslagtig maakte. (Robinson Crusoe)

Etymology

From Middle Dutch minderen. By surface analysis, minder + -en.

Additional Information