escaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of escaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: escaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: escalerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëscaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikescaleer
jijescaleert
hijescaleert
wijescaleren
jullieescaleren
zijescaleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëscaleerd
jijhebt geëscaleerd
hijheeft geëscaleerd
wijhebben geëscaleerd
julliehebben geëscaleerd
zijhebben geëscaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikescaleerde
jijescaleerde
hijescaleerde
wijescaleerden
jullieescaleerden
zijescaleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëscaleerd
jijhad geëscaleerd
hijhad geëscaleerd
wijhadden geëscaleerd
julliehadden geëscaleerd
zijhadden geëscaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal escaleren
jijzult escaleren
hijzal escaleren
wijzullen escaleren
julliezullen escaleren
zijzullen escaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëscaleerd hebben
jijzult geëscaleerd hebben
hijzal geëscaleerd hebben
wijzullen geëscaleerd hebben
julliezullen geëscaleerd hebben
zijzullen geëscaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou escaleren
jijzou escaleren
hijzou escaleren
wijzouden escaleren
julliezouden escaleren
zijzouden escaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëscaleerd hebben
jijzou geëscaleerd hebben
hijzou geëscaleerd hebben
wijzouden geëscaleerd hebben
julliezouden geëscaleerd hebben
zijzouden geëscaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijescaleer

Translations

  • amp, to intensify
  • enforce, to intensify
  • escalate, to intensify
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Back-formation from escalatie.

    Additional Information