avaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of avaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: avaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: avalerend
Past participle - Verleden deelwoord: geavaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikavaleer
jijavaleert
hijavaleert
wijavaleren
jullieavaleren
zijavaleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geavaleerd
jijhebt geavaleerd
hijheeft geavaleerd
wijhebben geavaleerd
julliehebben geavaleerd
zijhebben geavaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikavaleerde
jijavaleerde
hijavaleerde
wijavaleerden
jullieavaleerden
zijavaleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geavaleerd
jijhad geavaleerd
hijhad geavaleerd
wijhadden geavaleerd
julliehadden geavaleerd
zijhadden geavaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal avaleren
jijzult avaleren
hijzal avaleren
wijzullen avaleren
julliezullen avaleren
zijzullen avaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geavaleerd hebben
jijzult geavaleerd hebben
hijzal geavaleerd hebben
wijzullen geavaleerd hebben
julliezullen geavaleerd hebben
zijzullen geavaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou avaleren
jijzou avaleren
hijzou avaleren
wijzouden avaleren
julliezouden avaleren
zijzouden avaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geavaleerd hebben
jijzou geavaleerd hebben
hijzou geavaleerd hebben
wijzouden geavaleerd hebben
julliezouden geavaleerd hebben
zijzouden geavaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijavaleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information