aanspugen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanspugen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanspugen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanspugend
Past participle - Verleden deelwoord: aangespuugd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspuug aan
jijspuugt aan
hijspuugt aan
wijspugen aan
julliespugen aan
zijspugen aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangespuugd
jijhebt aangespuugd
hijheeft aangespuugd
wijhebben aangespuugd
julliehebben aangespuugd
zijhebben aangespuugd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikspuugde aan
jijspuugde aan
hijspuugde aan
wijspuugden aan
julliespuugden aan
zijspuugden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangespuugd
jijhad aangespuugd
hijhad aangespuugd
wijhadden aangespuugd
julliehadden aangespuugd
zijhadden aangespuugd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanspugen
jijzult aanspugen
hijzal aanspugen
wijzullen aanspugen
julliezullen aanspugen
zijzullen aanspugen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangespuugd hebben
jijzult aangespuugd hebben
hijzal aangespuugd hebben
wijzullen aangespuugd hebben
julliezullen aangespuugd hebben
zijzullen aangespuugd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanspugen
jijzou aanspugen
hijzou aanspugen
wijzouden aanspugen
julliezouden aanspugen
zijzouden aanspugen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangespuugd hebben
jijzou aangespuugd hebben
hijzou aangespuugd hebben
wijzouden aangespuugd hebben
julliezouden aangespuugd hebben
zijzouden aangespuugd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspuug aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information