etaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of etaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: etaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: etalerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëtaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iketaleer
jijetaleert
hijetaleert
wijetaleren
jullieetaleren
zijetaleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëtaleerd
jijhebt geëtaleerd
hijheeft geëtaleerd
wijhebben geëtaleerd
julliehebben geëtaleerd
zijhebben geëtaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iketaleerde
jijetaleerde
hijetaleerde
wijetaleerden
jullieetaleerden
zijetaleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëtaleerd
jijhad geëtaleerd
hijhad geëtaleerd
wijhadden geëtaleerd
julliehadden geëtaleerd
zijhadden geëtaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal etaleren
jijzult etaleren
hijzal etaleren
wijzullen etaleren
julliezullen etaleren
zijzullen etaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëtaleerd hebben
jijzult geëtaleerd hebben
hijzal geëtaleerd hebben
wijzullen geëtaleerd hebben
julliezullen geëtaleerd hebben
zijzullen geëtaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou etaleren
jijzou etaleren
hijzou etaleren
wijzouden etaleren
julliezouden etaleren
zijzouden etaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëtaleerd hebben
jijzou geëtaleerd hebben
hijzou geëtaleerd hebben
wijzouden geëtaleerd hebben
julliezouden geëtaleerd hebben
zijzouden geëtaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijetaleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French étaler. See: French 'étaler'.

Additional Information