essayeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of essayeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: essayeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: essayerend
Past participle - Verleden deelwoord: geëssayeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikessayeer
jijessayeert
hijessayeert
wijessayeren
jullieessayeren
zijessayeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geëssayeerd
jijhebt geëssayeerd
hijheeft geëssayeerd
wijhebben geëssayeerd
julliehebben geëssayeerd
zijhebben geëssayeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikessayeerde
jijessayeerde
hijessayeerde
wijessayeerden
jullieessayeerden
zijessayeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geëssayeerd
jijhad geëssayeerd
hijhad geëssayeerd
wijhadden geëssayeerd
julliehadden geëssayeerd
zijhadden geëssayeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal essayeren
jijzult essayeren
hijzal essayeren
wijzullen essayeren
julliezullen essayeren
zijzullen essayeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geëssayeerd hebben
jijzult geëssayeerd hebben
hijzal geëssayeerd hebben
wijzullen geëssayeerd hebben
julliezullen geëssayeerd hebben
zijzullen geëssayeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou essayeren
jijzou essayeren
hijzou essayeren
wijzouden essayeren
julliezouden essayeren
zijzouden essayeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geëssayeerd hebben
jijzou geëssayeerd hebben
hijzou geëssayeerd hebben
wijzouden geëssayeerd hebben
julliezouden geëssayeerd hebben
zijzouden geëssayeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijessayeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from French essayer. See: French 'essayer'.

Additional Information