accableren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of accableren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: accableren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: accablerend
Past participle - Verleden deelwoord: geaccableerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikaccableer
jijaccableert
hijaccableert
wijaccableren
jullieaccableren
zijaccableren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geaccableerd
jijhebt geaccableerd
hijheeft geaccableerd
wijhebben geaccableerd
julliehebben geaccableerd
zijhebben geaccableerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikaccableerde
jijaccableerde
hijaccableerde
wijaccableerden
jullieaccableerden
zijaccableerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geaccableerd
jijhad geaccableerd
hijhad geaccableerd
wijhadden geaccableerd
julliehadden geaccableerd
zijhadden geaccableerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal accableren
jijzult accableren
hijzal accableren
wijzullen accableren
julliezullen accableren
zijzullen accableren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geaccableerd hebben
jijzult geaccableerd hebben
hijzal geaccableerd hebben
wijzullen geaccableerd hebben
julliezullen geaccableerd hebben
zijzullen geaccableerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou accableren
jijzou accableren
hijzou accableren
wijzouden accableren
julliezouden accableren
zijzouden accableren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geaccableerd hebben
jijzou geaccableerd hebben
hijzou geaccableerd hebben
wijzouden geaccableerd hebben
julliezouden geaccableerd hebben
zijzouden geaccableerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijaccableer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information