Infinitive - Onbepaalde wijs: aanschemeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanschemerend
Past participle - Verleden deelwoord: aangeschemeerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | schemeer aan |
| jij | schemeert aan |
| hij | schemeert aan |
| wij | schemeren aan |
| jullie | schemeren aan |
| zij | schemeren aan |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb aangeschemeerd |
| jij | hebt aangeschemeerd |
| hij | heeft aangeschemeerd |
| wij | hebben aangeschemeerd |
| jullie | hebben aangeschemeerd |
| zij | hebben aangeschemeerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | schemeerde aan |
| jij | schemeerde aan |
| hij | schemeerde aan |
| wij | schemeerden aan |
| jullie | schemeerden aan |
| zij | schemeerden aan |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had aangeschemeerd |
| jij | had aangeschemeerd |
| hij | had aangeschemeerd |
| wij | hadden aangeschemeerd |
| jullie | hadden aangeschemeerd |
| zij | hadden aangeschemeerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal aanschemeren |
| jij | zult aanschemeren |
| hij | zal aanschemeren |
| wij | zullen aanschemeren |
| jullie | zullen aanschemeren |
| zij | zullen aanschemeren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal aangeschemeerd hebben |
| jij | zult aangeschemeerd hebben |
| hij | zal aangeschemeerd hebben |
| wij | zullen aangeschemeerd hebben |
| jullie | zullen aangeschemeerd hebben |
| zij | zullen aangeschemeerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou aanschemeren |
| jij | zou aanschemeren |
| hij | zou aanschemeren |
| wij | zouden aanschemeren |
| jullie | zouden aanschemeren |
| zij | zouden aanschemeren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou aangeschemeerd hebben |
| jij | zou aangeschemeerd hebben |
| hij | zou aangeschemeerd hebben |
| wij | zouden aangeschemeerd hebben |
| jullie | zouden aangeschemeerd hebben |
| zij | zouden aangeschemeerd hebben |
| jij | schemeer aan |