zieden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of zieden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: zieden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ziedend
Past participle - Verleden deelwoord: gezoden

Cognates

See the 7 cognates of zieden

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzied
jijziedt
hijziedt
wijzieden
julliezieden
zijzieden

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gezoden
jijhebt gezoden
hijheeft gezoden
wijhebben gezoden
julliehebben gezoden
zijhebben gezoden

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikziedde
jijziedde
hijziedde
wijziedden
jullieziedden
zijziedden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gezoden
jijhad gezoden
hijhad gezoden
wijhadden gezoden
julliehadden gezoden
zijhadden gezoden

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal zieden
jijzult zieden
hijzal zieden
wijzullen zieden
julliezullen zieden
zijzullen zieden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gezoden hebben
jijzult gezoden hebben
hijzal gezoden hebben
wijzullen gezoden hebben
julliezullen gezoden hebben
zijzullen gezoden hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou zieden
jijzou zieden
hijzou zieden
wijzouden zieden
julliezouden zieden
zijzouden zieden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gezoden hebben
jijzou gezoden hebben
hijzou gezoden hebben
wijzouden gezoden hebben
julliezouden gezoden hebben
zijzouden gezoden hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzied

Verbs conjugated like 'zieden'

zieden,

Verbs similar to 'zieden'

bieden, bidden, binden, dienen, dieven, gieren, gieten, hoeden, kieken, kielen,

Translations

  • boil, heat (a liquid) until it begins to turn into a gas
  • seethe, to boil vigorously (intransitive verb)
  • seethe, (''figuratively'') to be in an agitated state of turmoil
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    briesen
    koken, sissen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch sieden, from Old Dutch *siethan, from Proto-West Germanic *seuþan, from Proto-Germanic *seuþaną. See: Middle Dutch 'sieden', Proto-Germanic '*seuþaną'.

    Verbs referencing "zieden"

    English seethe, Dutch sudderen.

    Additional Information