dieven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dieven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dieven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dievend
Past participle - Verleden deelwoord: gediefd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdief
jijdieft
hijdieft
wijdieven
julliedieven
zijdieven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gediefd
jijhebt gediefd
hijheeft gediefd
wijhebben gediefd
julliehebben gediefd
zijhebben gediefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdiefde
jijdiefde
hijdiefde
wijdiefden
julliediefden
zijdiefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gediefd
jijhad gediefd
hijhad gediefd
wijhadden gediefd
julliehadden gediefd
zijhadden gediefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dieven
jijzult dieven
hijzal dieven
wijzullen dieven
julliezullen dieven
zijzullen dieven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gediefd hebben
jijzult gediefd hebben
hijzal gediefd hebben
wijzullen gediefd hebben
julliezullen gediefd hebben
zijzullen gediefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dieven
jijzou dieven
hijzou dieven
wijzouden dieven
julliezouden dieven
zijzouden dieven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gediefd hebben
jijzou gediefd hebben
hijzou gediefd hebben
wijzouden gediefd hebben
julliezouden gediefd hebben
zijzouden gediefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdief

Verbs similar to 'dieven'

dienen, beven, bieden, dalven, delen, delven, deren, derven, dineren, dingen,

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information