gieten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of gieten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: gieten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: gietend
Past participle - Verleden deelwoord: gegoten

Cognates

See the 5 cognates of gieten

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgiet
jijgiet
hijgiet
wijgieten
julliegieten
zijgieten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegoten
jijhebt gegoten
hijheeft gegoten
wijhebben gegoten
julliehebben gegoten
zijhebben gegoten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgoot
jijgoot
hijgoot
wijgoten
julliegoten
zijgoten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegoten
jijhad gegoten
hijhad gegoten
wijhadden gegoten
julliehadden gegoten
zijhadden gegoten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal gieten
jijzult gieten
hijzal gieten
wijzullen gieten
julliezullen gieten
zijzullen gieten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegoten hebben
jijzult gegoten hebben
hijzal gegoten hebben
wijzullen gegoten hebben
julliezullen gegoten hebben
zijzullen gegoten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou gieten
jijzou gieten
hijzou gieten
wijzouden gieten
julliezouden gieten
zijzouden gieten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegoten hebben
jijzou gegoten hebben
hijzou gegoten hebben
wijzouden gegoten hebben
julliezouden gegoten hebben
zijzouden gegoten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgiet

Verbs conjugated like 'gieten'

genieten, gieten, schieten, verdrieten, vergieten, vlieten, voorschieten,

Verbs similar to 'gieten'

gieren, gisten, bieden, bijten, boeten, dienen, dieven, eten, fietsen, fitten,

Translations

  • cast, to make by pouring into a mould
  • pour, to cause to flow in a stream
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    hozen
    plenzen, stortregenen

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch gieten, from Old Dutch gietan, from Proto-West Germanic *geutan, from Proto-Germanic *geutaną, from Proto-Indo-European *ǵʰewd- (“to pour”). See: Middle Dutch 'gieten', Proto-Germanic '*geutaną'.

    Verbs referencing "gieten"

    English yet, German, old spelling gießen, English yote, Luxembourgish géissen, German, Pennsylvania giesse.

    Additional Information