aanzitten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aanzitten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aanzitten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aanzittend
Past participle - Verleden deelwoord: aangezeten

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikzit aan
jijzit aan
hijzit aan
wijzitten aan
julliezitten aan
zijzitten aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangezeten
jijhebt aangezeten
hijheeft aangezeten
wijhebben aangezeten
julliehebben aangezeten
zijhebben aangezeten

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikzat aan
jijzat aan
hijzat aan
wijzaten aan
julliezaten aan
zijzaten aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangezeten
jijhad aangezeten
hijhad aangezeten
wijhadden aangezeten
julliehadden aangezeten
zijhadden aangezeten

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aanzitten
jijzult aanzitten
hijzal aanzitten
wijzullen aanzitten
julliezullen aanzitten
zijzullen aanzitten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangezeten hebben
jijzult aangezeten hebben
hijzal aangezeten hebben
wijzullen aangezeten hebben
julliezullen aangezeten hebben
zijzullen aangezeten hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aanzitten
jijzou aanzitten
hijzou aanzitten
wijzouden aanzitten
julliezouden aanzitten
zijzouden aanzitten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangezeten hebben
jijzou aangezeten hebben
hijzou aangezeten hebben
wijzouden aangezeten hebben
julliezouden aangezeten hebben
zijzouden aangezeten hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijzit aan

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

tafelen
eten

Sample Sentences

Etymology

From aan + zitten.

Additional Information