omkleden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of omkleden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: omkleden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: omkledend
Past participle - Verleden deelwoord: omgekleed

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkleed om
jijkleedt om
hijkleedt om
wijkleden om
julliekleden om
zijkleden om

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb omgekleed
jijhebt omgekleed
hijheeft omgekleed
wijhebben omgekleed
julliehebben omgekleed
zijhebben omgekleed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkleedde om
jijkleedde om
hijkleedde om
wijkleedden om
julliekleedden om
zijkleedden om

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad omgekleed
jijhad omgekleed
hijhad omgekleed
wijhadden omgekleed
julliehadden omgekleed
zijhadden omgekleed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal omkleden
jijzult omkleden
hijzal omkleden
wijzullen omkleden
julliezullen omkleden
zijzullen omkleden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal omgekleed hebben
jijzult omgekleed hebben
hijzal omgekleed hebben
wijzullen omgekleed hebben
julliezullen omgekleed hebben
zijzullen omgekleed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou omkleden
jijzou omkleden
hijzou omkleden
wijzouden omkleden
julliezouden omkleden
zijzouden omkleden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou omgekleed hebben
jijzou omgekleed hebben
hijzou omgekleed hebben
wijzouden omgekleed hebben
julliezouden omgekleed hebben
zijzouden omgekleed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkleed om

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Zij kleedden zich om in de kleedkamers. (They got changed in the changing rooms.)

Etymology

From om + kleden.

Additional Information