aankleden – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of aankleden

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: aankleden
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: aankledend
Past participle - Verleden deelwoord: aangekleed

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkleed aan
jijkleedt aan
hijkleedt aan
wijkleden aan
julliekleden aan
zijkleden aan

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb aangekleed
jijhebt aangekleed
hijheeft aangekleed
wijhebben aangekleed
julliehebben aangekleed
zijhebben aangekleed

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkleedde aan
jijkleedde aan
hijkleedde aan
wijkleedden aan
julliekleedden aan
zijkleedden aan

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad aangekleed
jijhad aangekleed
hijhad aangekleed
wijhadden aangekleed
julliehadden aangekleed
zijhadden aangekleed

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal aankleden
jijzult aankleden
hijzal aankleden
wijzullen aankleden
julliezullen aankleden
zijzullen aankleden

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal aangekleed hebben
jijzult aangekleed hebben
hijzal aangekleed hebben
wijzullen aangekleed hebben
julliezullen aangekleed hebben
zijzullen aangekleed hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou aankleden
jijzou aankleden
hijzou aankleden
wijzouden aankleden
julliezouden aankleden
zijzouden aankleden

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou aangekleed hebben
jijzou aangekleed hebben
hijzou aangekleed hebben
wijzouden aangekleed hebben
julliezouden aangekleed hebben
zijzouden aangekleed hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkleed aan

Translations

  • costume, dress with a costume
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    opdirken
    optuigen, stofferen, uitdossen, versieren

    Sample Sentences

    • Welke idioot heeft de kat aangekleed? (What idiot put clothes on the cat?)
    • Haastig kleedde hij zich aan zodra hij iemand hoorde naderen. (Hastily he got dressed as soon as he heard someone approaching.)
    • Het vergt goede smaak om een fraaie kamer stijlvol aan te kleden. (It takes good taste to furnish a nice room stylishly.)

    Etymology

    From Middle Dutch aenclêden. Equivalent to aan + kleden.

    Additional Information