imkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of imkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: imkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: imkerend
Past participle - Verleden deelwoord: geïmkerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikimker
jijimkert
hijimkert
wijimkeren
jullieimkeren
zijimkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geïmkerd
jijhebt geïmkerd
hijheeft geïmkerd
wijhebben geïmkerd
julliehebben geïmkerd
zijhebben geïmkerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikimkerde
jijimkerde
hijimkerde
wijimkerden
jullieimkerden
zijimkerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geïmkerd
jijhad geïmkerd
hijhad geïmkerd
wijhadden geïmkerd
julliehadden geïmkerd
zijhadden geïmkerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal imkeren
jijzult imkeren
hijzal imkeren
wijzullen imkeren
julliezullen imkeren
zijzullen imkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geïmkerd hebben
jijzult geïmkerd hebben
hijzal geïmkerd hebben
wijzullen geïmkerd hebben
julliezullen geïmkerd hebben
zijzullen geïmkerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou imkeren
jijzou imkeren
hijzou imkeren
wijzouden imkeren
julliezouden imkeren
zijzouden imkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geïmkerd hebben
jijzou geïmkerd hebben
hijzou geïmkerd hebben
wijzouden geïmkerd hebben
julliezouden geïmkerd hebben
zijzouden geïmkerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijimker

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From imker + -en.

Additional Information