kleven – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kleven

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kleven
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: klevend
Past participle - Verleden deelwoord: gekleefd

Cognates

See the 4 cognates of kleven

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkleef
jijkleeft
hijkleeft
wijkleven
julliekleven
zijkleven

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekleefd
jijhebt gekleefd
hijheeft gekleefd
wijhebben gekleefd
julliehebben gekleefd
zijhebben gekleefd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkleefde
jijkleefde
hijkleefde
wijkleefden
julliekleefden
zijkleefden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekleefd
jijhad gekleefd
hijhad gekleefd
wijhadden gekleefd
julliehadden gekleefd
zijhadden gekleefd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kleven
jijzult kleven
hijzal kleven
wijzullen kleven
julliezullen kleven
zijzullen kleven

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekleefd hebben
jijzult gekleefd hebben
hijzal gekleefd hebben
wijzullen gekleefd hebben
julliezullen gekleefd hebben
zijzullen gekleefd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kleven
jijzou kleven
hijzou kleven
wijzouden kleven
julliezouden kleven
zijzouden kleven

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekleefd hebben
jijzou gekleefd hebben
hijzou gekleefd hebben
wijzouden gekleefd hebben
julliezouden gekleefd hebben
zijzouden gekleefd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkleef

Verbs conjugated like 'kleven'

aandraven, aaneenkleven, aanschaven, afroven, afschaven, afsloven, beleven, beloven, beroven, beschaven, beven, dichtreven, doven, draven, geloven, kleven, kloven, laven, leven, loven, etc. (List truncated at 20 verbs)

Verbs similar to 'kleven'

kleden, klieven, kloven, leven, beleven, beven, dieven, fleren, geven, hoeven,

Translations

  • adhere, To stick fast or cleave
  • stick, to glue; to adhere (transitive)
  • stick, to become attached, to adhere (intransitive)
  • tailgate, drive dangerously close behind another vehicle
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    lijmen
    plakken, vastmaken

    Sample Sentences

    • Ineens merkte ze dat er kauwgom aan haar sandaal kleefde. (Suddenly she noticed that there was chewing gum sticking to her sandal.)
    • Zij plaagt haar vader door kauwgum aan zijn snor te kleven. (She is teasing her dad by sticking chewing gum on his moustache.)
    • Deze grondstof kleeft heel erg. (This resource is very very sticky.)

    Etymology

    From Middle Dutch clēven, from Old Dutch clivon, from Proto-West Germanic *klibēn, from Proto-Germanic *klibāną, from Proto-Indo-European *gleybʰ- (“to stick”). See: Old Dutch 'clivon', Proto-Germanic '*klibāną'.

    Verbs referencing "kleven"

    English clive, German, Pennsylvania glewe.

    Additional Information