fitten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of fitten

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: fitten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: fittend
Past participle - Verleden deelwoord: gefit

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikfit
jijfit
hijfit
wijfitten
julliefitten
zijfitten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gefit
jijhebt gefit
hijheeft gefit
wijhebben gefit
julliehebben gefit
zijhebben gefit

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikfitte
jijfitte
hijfitte
wijfitten
julliefitten
zijfitten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gefit
jijhad gefit
hijhad gefit
wijhadden gefit
julliehadden gefit
zijhadden gefit

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal fitten
jijzult fitten
hijzal fitten
wijzullen fitten
julliezullen fitten
zijzullen fitten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gefit hebben
jijzult gefit hebben
hijzal gefit hebben
wijzullen gefit hebben
julliezullen gefit hebben
zijzullen gefit hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou fitten
jijzou fitten
hijzou fitten
wijzouden fitten
julliezouden fitten
zijzouden fitten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gefit hebben
jijzou gefit hebben
hijzou gefit hebben
wijzouden gefit hebben
julliezouden gefit hebben
zijzouden gefit hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijfit

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information