plenzen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of plenzen

The word "plenzen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: plenzen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: plenzend
Past participle - Verleden deelwoord: geplensd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikplens
jijplenst
hijplenst
wijplenzen
jullieplenzen
zijplenzen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geplensd
jijhebt geplensd
hijheeft geplensd
wijhebben geplensd
julliehebben geplensd
zijhebben geplensd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikplensde
jijplensde
hijplensde
wijplensden
jullieplensden
zijplensden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geplensd
jijhad geplensd
hijhad geplensd
wijhadden geplensd
julliehadden geplensd
zijhadden geplensd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal plenzen
jijzult plenzen
hijzal plenzen
wijzullen plenzen
julliezullen plenzen
zijzullen plenzen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geplensd hebben
jijzult geplensd hebben
hijzal geplensd hebben
wijzullen geplensd hebben
julliezullen geplensd hebben
zijzullen geplensd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou plenzen
jijzou plenzen
hijzou plenzen
wijzouden plenzen
julliezouden plenzen
zijzouden plenzen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geplensd hebben
jijzou geplensd hebben
hijzou geplensd hebben
wijzouden geplensd hebben
julliezouden geplensd hebben
zijzouden geplensd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijplens

Verbs conjugated like 'plenzen'

glanzen, grenzen, niezen, omhelzen, reizen, veinzen, verhuizen,

Verbs similar to 'plenzen'

Translations

  • bucket, rain heavily
  • downpour, rain heavily
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information