dineren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of dineren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: dineren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: dinerend
Past participle - Verleden deelwoord: gedineerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdineer
jijdineert
hijdineert
wijdineren
julliedineren
zijdineren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedineerd
jijhebt gedineerd
hijheeft gedineerd
wijhebben gedineerd
julliehebben gedineerd
zijhebben gedineerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdineerde
jijdineerde
hijdineerde
wijdineerden
julliedineerden
zijdineerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedineerd
jijhad gedineerd
hijhad gedineerd
wijhadden gedineerd
julliehadden gedineerd
zijhadden gedineerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal dineren
jijzult dineren
hijzal dineren
wijzullen dineren
julliezullen dineren
zijzullen dineren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedineerd hebben
jijzult gedineerd hebben
hijzal gedineerd hebben
wijzullen gedineerd hebben
julliezullen gedineerd hebben
zijzullen gedineerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou dineren
jijzou dineren
hijzou dineren
wijzouden dineren
julliezouden dineren
zijzouden dineren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedineerd hebben
jijzou gedineerd hebben
hijzou gedineerd hebben
wijzouden gedineerd hebben
julliezouden gedineerd hebben
zijzouden gedineerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdineer

Translations

  • lunch, to eat lunch
  • dine, to eat; to eat dinner or supper
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French dîner, from Middle French [Term?], from Old French disner. See: French 'dîner', Old French 'disner'.

    Additional Information