storen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of storen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: storen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: storend
Past participle - Verleden deelwoord: gestoord

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstoor
jijstoort
hijstoort
wijstoren
julliestoren
zijstoren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestoord
jijhebt gestoord
hijheeft gestoord
wijhebben gestoord
julliehebben gestoord
zijhebben gestoord

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstoorde
jijstoorde
hijstoorde
wijstoorden
julliestoorden
zijstoorden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestoord
jijhad gestoord
hijhad gestoord
wijhadden gestoord
julliehadden gestoord
zijhadden gestoord

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal storen
jijzult storen
hijzal storen
wijzullen storen
julliezullen storen
zijzullen storen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestoord hebben
jijzult gestoord hebben
hijzal gestoord hebben
wijzullen gestoord hebben
julliezullen gestoord hebben
zijzullen gestoord hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou storen
jijzou storen
hijzou storen
wijzouden storen
julliezouden storen
zijzouden storen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestoord hebben
jijzou gestoord hebben
hijzou gestoord hebben
wijzouden gestoord hebben
julliezouden gestoord hebben
zijzouden gestoord hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstoor

Translations

  • bug, to annoy
  • roil, to annoy
  • vex, to annoy
  • bother, to annoy, disturb
  • gall, to trouble or bother
  • gall, to harass, harry
  • gall, to chafe
  • gall, to exasperate
  • intrude, to enter without welcome; to encroach
  • disturb, confuse or irritate
  • chagrin, bother or vex; to mortify
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    afleiden
    onderbreken, hinderen

    Sample Sentences

    • [...] paard, dat de wolven gedood hadden, en waar wel een dozijn aan bezig waren de beenen af te kluiven, want het vleesch was er reeds geheel af. Wij achtten het niet geraden hen in hunnen maaltijd te storen, en zij sloegen op ons geen acht. Vrijdag wilde op hen schieten, maar ik verbood het, want ik begreep, dat wij spoedig genoeg te doen zouden hebben. (Robinson Crusoe)

    Etymology

    From Middle Dutch stôren, from Old Dutch *stōren, from Proto-West Germanic *staurijan.

    Verbs referencing "storen"

    English stir, English stoor.

    Additional Information