sieren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sieren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sieren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sierend
Past participle - Verleden deelwoord: gesierd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksier
jijsiert
hijsiert
wijsieren
julliesieren
zijsieren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesierd
jijhebt gesierd
hijheeft gesierd
wijhebben gesierd
julliehebben gesierd
zijhebben gesierd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksierde
jijsierde
hijsierde
wijsierden
julliesierden
zijsierden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesierd
jijhad gesierd
hijhad gesierd
wijhadden gesierd
julliehadden gesierd
zijhadden gesierd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sieren
jijzult sieren
hijzal sieren
wijzullen sieren
julliezullen sieren
zijzullen sieren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesierd hebben
jijzult gesierd hebben
hijzal gesierd hebben
wijzullen gesierd hebben
julliezullen gesierd hebben
zijzullen gesierd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sieren
jijzou sieren
hijzou sieren
wijzouden sieren
julliezouden sieren
zijzouden sieren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesierd hebben
jijzou gesierd hebben
hijzou gesierd hebben
wijzouden gesierd hebben
julliezouden gesierd hebben
zijzouden gesierd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsier

Translations

  • adorn, to make more beautiful and attractive; to decorate
  • decorate, to furnish with decorations
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    tooien
    versieren

    Sample Sentences

    • Het boetekleed siert de mens. (It is appropriate for a human to do penance for wrongdoing.)
    • Dat siert u. (That is nice of you.)

    Etymology

    From Middle Dutch cieren, tsieren, sieren, borrowed from Middle High German zieren. Cognate with German zieren and the inherited form tieren. See: Middle High German 'zieren', German, old spelling 'zieren'.

    Additional Information