settelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of settelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: settelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: settelend
Past participle - Verleden deelwoord: gesetteld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksettel
jijsettelt
hijsettelt
wijsettelen
julliesettelen
zijsettelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesetteld
jijhebt gesetteld
hijheeft gesetteld
wijhebben gesetteld
julliehebben gesetteld
zijhebben gesetteld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksettelde
jijsettelde
hijsettelde
wijsettelden
julliesettelden
zijsettelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesetteld
jijhad gesetteld
hijhad gesetteld
wijhadden gesetteld
julliehadden gesetteld
zijhadden gesetteld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal settelen
jijzult settelen
hijzal settelen
wijzullen settelen
julliezullen settelen
zijzullen settelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesetteld hebben
jijzult gesetteld hebben
hijzal gesetteld hebben
wijzullen gesetteld hebben
julliezullen gesetteld hebben
zijzullen gesetteld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou settelen
jijzou settelen
hijzou settelen
wijzouden settelen
julliezouden settelen
zijzouden settelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesetteld hebben
jijzou gesetteld hebben
hijzou gesetteld hebben
wijzouden gesetteld hebben
julliezouden gesetteld hebben
zijzouden gesetteld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsettel

Translations

  • settle, to fix one's dwelling
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From English settle. See: English 'settle'.

    Additional Information